Algemeen
  Organisatie
 
 Onderdelen
  JEO-peloton
  Weermeetgroep
  C2 onderst.groep
 
 Materieel
  PzH 2000 NL
  Fennek
  Geschut vroeger

 

 

 

 

 

 Weermeetgroep 14 Afdva

Taken

De weermeetgroep werd vanaf medio 2005 ondergebracht bij de 14e Afdeling Veldartillerie en bestond uit een commandoploeg en twee weermeetploegen, die ieder beschikken over een ballistisch meteostation. De taken van de weermeetgroep bestaan uit:

Meteorologische ondersteuning aan de eenheden van de brigade.

Bijdragen aan (VN-)optreden in het kader van NL-steun door het ter beschikking stellen van één of meerdere meteostations.

Het op verzoek verlenen van meteorologische ondersteuning aan diverse afnemers.

Materieel weermeetgroep - Klik om te vergroetenHierbij gold dat de weermeetgroep zich vooral richt op dat deel van de meteorologie (= de wetenschap die de fysische en de dynamische eigenschappen van de atmosfeer bestudeert), dat voor vuursteun van belang is: de ballistische meteorologie. Dit deel van de meteorologie houdt zich bezig met de invloeden van de werkelijke atmosferische toestand op dracht en richting van een afgeschoten projectiel. Omdat de atmosferische toestand continue verandert, is het van belang dat de weermeetgroep de meteorologische informatie snel verkrijgt en verwerkt, opdat er tijdens het vuren rekening kan worden gehouden met de ballistische meteogegevens. Doet men dit niet, dan kunnen afwijkingen in de dracht en in de schootsrichting ontstaan van enkele tientallen tot honderden meters.

Het ballistisch meteostation

Materieel weermeetgroep - Klik om te vergroetenHet ballistisch meteostation is een mobiel weermeetkundig station, dat in staat is om meteoberichten in NATO-standaardcode te vervaardigen, die bij veldartillerie, de luchtdoelartillerie en de infanterie (mortieren) benodigd zijn, terwijl ook meteoberichten vervaardigd kunnen worden t.b.v. andere gebruikers. Een meteobericht bevat informatie betreffende:  

Windrichting
Windsnelheid
Temperatuur
Relatieve vochtigheid
Luchtdruk
Luchtdichtheid

Dit voor de diverse hoogtezones, die voor de verschillende gebruikersgroepen van belang zijn.

Materieel weermeetgroep - Klik om te vergroetenOm de gemiddelde of ballistische waarden van de meteogegevens te kunnen bepalen, moeten de werkelijke waarden gemeten worden, zoals die op verschillende hoogten aanwezig zijn. Daartoe wordt een met waterstofgas gevulde ballon opgelaten waaraan een radiosonde is opgehangen. In de radiosonde zijn sensoren aanwezig, die continue de luchtdruk, luchttemperatuur en de luchtvochtigheid meten. Deze gemeten waarden worden doorlopend in een vaste volgorde uitgezonden  en worden door het meteostation opgevangen en verwerkt tot meteoberichten. Wanneer een GPS-sonde wordt gebruikt, worden ook de satellietgegevens van de sonde naar het meteostation gezonden, waar ze door de computer worden verwerkt om de windrichting en -snelheid te berekenen.

Als er geen GPS-gegevens beschikbaar zijn, kan de radiosonde automatisch gevolgd worden door een radiotheodoliet, die de verplaatsing in het horizontale en verticale vlak meet, waaruit de windrichting en -snelheid zijn af te leiden. Vóór het oplaten worden de luchtdruk, temperatuur, luchtvochtigheid en de windrichting en -snelheid op grondniveau gemeten. Deze gegevens worden in de computer ingevoerd en worden gebruikt voor de grondgegevens in de diverse berichten.

Geldigheid van een meteobericht

Plaatsgeldigheid

In het algemeen zal de geldigheid van een meteobericht afnemen als de afstand tot de gebruikslocatie toeneemt. Lokale topografische omstandigheden hebben een uitgesproken effect op de afstand tot waar meteogegevens zich redelijkerwijs uitstrekken. Bijvoorbeeld bergachtig terrein beïnvloedt in hoge mate de windgegevens, hetgeen leidt tot grote variaties over geringe afstanden. Het is onmogelijk om voor elke combinatie van weer en terrein een geldende afstand te bepalen. Mogelijk dat de volgende vuistregels enige indicatie geven:

Over tamelijk vlak terrein is een meteoberichtregel geldig tot zo’n 32 km van het ballistisch meteostation
In bergachtig terrein zal de geldigheid moeten worden gereduceerd tot zo’n 50% (± 16 km)
Wanneer het ballistisch meteostation optreedt langs een kustlijn zullen met name de luchtvochtigheidsgegevens en de daarmee samenhangende luchtdichtheidsgegevens zeer beperkt geldig zijn. Dit komt door de invloed van grote wateroppervlakken op de luchtvochtigheid

Tijdgeldigheid

Materieel weermeetgroep - Klik om te vergroetenAls gevolg van de zich voortdurend wijzigende weersomstandigheden, zal de geldigheid van een meteobericht eveneens afnemen, naarmate de tijd verstrijkt. Ervaring heeft geleerd dat wanneer meteoberichten om de twee uur worden samengesteld, er slechts marginale afwijkingen in de indirecte vuren te onderkennen zijn. Er zijn geen specifieke regels, die de tijdgeldigheid nader bepalen. Wanneer het weerbeeld veranderlijk is, mag de tijdgeldigheid van twee uren niet worden overschreden. Wanneer de passage van een front is aangekondigd, moet de geldigheid van het laatste meteobericht niet langer zijn dan het aangekondigde tijdstip van de passage. Wanneer het weerbeeld stabiel is, kan de geldigheid zonder problemen worden gesteld op vier uren. De beïnvloeding van het weerbeeld is het grootst gedurende de perioden van zonsopkomst en zonsondergang.

Welk meteobericht is het meest geldig?

Eind jaren ’50 van de vorige eeuw is een onderzoek uitgevoerd naar geldigheden van verschillende meteoberichten. Het onderzoek, dat was gebaseerd op luchtdichtheidsgegevens, leverde de volgende geldigheidsvolgorde op:  

Actueel meteobericht van een lokaal meteostation
Actueel meteobericht van een station binnen een afstand van 32 km
Bericht van twee uur oud van het lokale station
Actueel meteobericht van een station op een afstand van 32 tot 80 km
Bericht van twee uur oud van een meteostation binnen 32 km
Actueel meteobericht van een station op een afstand van 80 tot 112 km
Bericht van vier uur oud van een lokaal station
Geëxtrapoleerde gegevens of tabellen

 

Geschiedenis militaire meteorologie

Weer en klimaat beïnvloeden personeel, materieel en terrein en zijn daarom factoren die de commandanten moet kennen om tot een goede beoordeling van de toestand te kunnen komen.

Reeds in 1854 werd dit onderkend door de toenmalige Franse minister van oorlog naar aanleiding van het vergaan van het slagschip ‘Henry IV’ voor Sebastopol tijdens een storm in de Zwarte Zee op 14 november 1854 (Krimoorlog). Hij gaf de directeur van het Parijse Meteorologische Observatorium opdracht een onderzoek naar de meteorologische aspecten van de ramp in te stellen. Daarbij kwam men tot de conclusie dat de catastrofe voorkomen had kunnen worden, indien een weersverwachting ter beschikking had gestaan. Het gevolg van deze conclusie was dat de militaire leiders van de toenmalige grote mogendheden gebruik gingen maken van meteorologische diensten; aanvankelijk van civiele en vanaf 1900 van militaire. De ontwikkeling van militaire meteorologische diensten werd bovendien nog bevorderd door de snelle opkomst van de militaire luchtvaart, verdragende wapens en chemische strijdmiddelen.  

Enige voorbeelden van de invloed van het weer

Ter illustratie van de invloed die het weer kan uitoefenen op het militaire optreden volgen enkele voorbeelden welke zijn vastgelegd in rapporten en verslagen van gevechts- en oefensituaties.

Op 5 december 1941 besloot generaal Guderian de aanval tegen de Russische strijdkrachten af te breken i.v.m. de uitzonderlijk lage temperatuur van -36 °C tengevolge waarvan het Duitse leger niet meer in staat bleek het gevecht verder te voeren. Precies één dag later openden de Russen over de gehele frontbreedte een tegenoffensief. De hierbij toegepaste tactiek en het ingezette personeel en materieel waren aangepast aan de extreem winterse weercondities. De Russen maakten o.a. gebruik van skitroepen, sneeuwploegen en sledes waardoor snelle verplaatsingen mogelijk waren.  

Op 14 december veroorzaakte een arctische stroming tussen een hogedrukgebied boven Scandinavië en een lagedrukgebied in de omgeving van Moskou zware sneeuwstormen in het gebied rond Klin, 80 km noordwest van Moskou. De meteorologen voorspelden dat deze sneeuwstormen lange tijd zouden aanhouden. Om 23.00 uur begonnen de Russen, optredend in kleine onafhankelijke groepen, de aanval op Klin onder dekking van de sneeuwstorm. De Duitsers die niet voorbereid waren op het gevecht onder dergelijke omstandigheden waren gedwongen terug te trekken en reeds de volgende ochtend was Klin in Russische handen.  
 
Waarschijnlijk nergens in de krijgsgeschiedenis was het weer van meer belang voor een operatie of oorlog dan bij de landing van de geallieerden in Frankrijk op 6 juni 1944, D-Day. De vraag naar een bepaald weertype was zeer gecompliceerd:  
 

Er mocht geen periode aan voorafgaan met te krachtige wind waardoor de golven te hoog zouden worden voor landingsvoertuigen
  De parachutisten wilden een bewolkte hemel om ze te beschermen tegen de Duitse luchtmacht
  De geallieerde piloten wilden een onbewolkte hemel voor goede navigatie en doelherkenning
De landingsstrijdkrachten wilden een aanlandige, de marine een aflandige wind
De landingen moesten bij eb plaatsvinden, waarna de geallieerden tenminste een periode van drie opeenvolgende dagen rustig weer nodig hadden in verband met herbevoorrading
Na voor allen tot het juiste compromis te zijn gekomen, vroeg het Opperbevel de meteorologische dienst om de klimatologische kans op het gewenste weer te berekenen omdat, zoals generaal Eisenhower opmerkte, het kiezen van de uiteindelijke datum zou afhangen van de weersverwachting. De kansen op het gewenste weer lagen 24 tegen 1 voor mei, 13 tegen 1 voor juni en 50 tegen 1 voor juli. Toen de gekozen datum naderde, bleek de weerssituatie allerminst gunstig. Dat de geallieerde landing op Normandië toch nog, en bij verrassing, kon plaats vinden, kwam doordat de geallieerden wisten dat op de dag die later D-Day zou heten, een kortstondige weersverbetering zou optreden. Het was dié prognose van de Britse meteoroloog J.M. Stagg, die Eisenhower deed besluiten het erop te wagen en de geschiedenis verslag van de geallieerde overwinning.
 

In november 1951 werd tijdens de Koreaanse oorlog de F-Compagnie van het 7e Regiment Mariniers omsingeld door de vijand. Gedurende vijf dagen had men alleen radioverbinding met het divisiehoofdkwartier. Door de korte levensduur van de batterijen bij temperaturen benden nul ontstond een hachelijke situatie. Tweemaal was het noodzakelijk om riskante helikopter ‘air drop’ missies uit te voeren om de compagnie met nieuwe batterijen te bevoorraden.  

In het gevecht om het bezit van heuvel 342 bij Chinlong in augustus 1952 tijdens de Koreaanse oorlog maakte het 1e peloton van de C-Compgnie van het 5e Regiment Mariniers goede vordering bij het beklimmen van deze heuvel tijdens de uren direct na zonsopgang. Maar toen vrij spoedig de temperatuur aanzienlijk steeg, verloor men de waterdiscipline uit het oog, waardoor binnen korte tijd het water verbruikt was. Velen raakten bevangen door de warmte. Sommigen herstelden zich, maar minstens evenveel manschappen werden tijdens de gevechtshandelingen uitgeschakeld door de hitte.
 

In september 1976, tijdens een NL-divisie-oefening werd een twintigtal helikopters gedurende drie dagen gedwongen aan de grond te blijven als gevolg van zeer dichte mist. Juist in die periode werd een divisie, onder druk van de vijand, gedwongen een meer achterwaarts gelegen verdedigingslinie in te nemen.  

De commandant van de helikoptereenheid verklaarde naar aanleiding van deze situatie: “In oorlogstijd waren we verloren geweest. Of we hadden onder levensgevaarlijke omstandigheden de lucht in moeten gaan, of we hadden ons moeten terugtrekken onder achterlating van de heli’s.”

Uit de hiervoor vermelde voorbeelden blijkt dat de meteorologische condities het militaire optreden zowel positief als negatief kunnen beïnvloeden. Ook tegenwoordig is er nog steeds behoefte aan kennis over de toestand van het weer.  
 


 
 
 Zoeken
 Zoek op deze site naar: